Oude of Pelgrimvaderskerk - Hervormde Gemeente Delfshaven

 

De ultieme troost in leven en dood

Deel 1 : Ik ben niet meer van mezelf

Oude of Pelgrimvaderskerk Rotterdam-Delfshaven. Zondag 11 augustus 2013 nm

Voorganger: ds. Pieter L. de Jong.  Email: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

 

Heidelberger Catechismus vraag en antwoord 1:

Wat is uw enige troost, zowel in leven als in sterven?

Dat ik met lichaam en ziel zowel in leven als in sterven niet mijzelf toebehoor,  maar het eigendom ben van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus.

Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen voldaan en mij uit alle heerschappij van de duivel verlost.(a)

Hij waakt met zoveel zorg over mij dat zonder de wil van mijn hemelse Vader geen haar van mijn hoofd kan vallen, ja zelfs dat alle dingen mij tot mijn heil moeten dienen.(b)

  Daarom verzekert Hij mij ook door zijn Heilige Geest van het eeuwige leven en maakt mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven (c)

 

Tekst van de preek Johannes 10:3b:

`De schapen horen zijn stem, en Hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt  ze naar buiten.’

 

Catechismus 450 jaar

Voor wie niet zo vertrouwd is met de Heidelbergse Catechismus: een catechismus is een geloofsleerboekje, met nadruk op geloof en op leren. In zo’n boekje kun je dus diverse geloofsuitspraken verwachten, bepaalde belangrijke geloofsitems en allerlei verhelderende opmerkingen die je helpen om je geloof in Jezus Christus beter te begrijpen. Niet iedereen zal behoefte hebben aan begrijpen van het geloof. Als je lekker zit te eten vraag je ook niet altijd wat er allemaal in zit. Maar eten kan ook wel eens zo speciaal zijn, dat je als je de kans krijgt,  je vraagt om enige uitleg, sommigen vragen zelfs nadrukkelijk om het recept van het ene of andere gerecht. In dure restaurants krijg je soms (ongevraagd) uitleg over de herkomst van elk groen blaadje op je bord…

 

    Voor zulke gretig geïnteresseerden  is er zo’n geloofscatechismus. Een boekje met gelovige statements die je ook goed van pas kunnen komen, als je het geloof een beetje begint kwijt te raken, er moeilijke levensvragen op je af komen en je merkt dat geloven in God niet  zo simpel blijkt als veel opwekkingsliederen een beetje suggereerden. Dan is het altijd heel handig als je een Catechismus bij de hand hebt en je kunt nagaan: wat geloven we nu eigenlijk van God, van Jezus, van de heilige Geest? Is daar wel eens over nagedacht? Of moet je je erbij neerleggen, als je iets niet snapt, omdat het geloof een mysterie is. Rooms-katholieke christenen zeggen dat vaak zo: het geloof is een mysterie, en dan vraag je niet meer verder. Je begrijpt: het is nu gewoon stikken of slikken. Anderen zeggen wel: `Maar dat is nu juist geloof!. Het geloof begint waar het verstand ophoudt…!’  Maar ieder die toevallig een goed verstand heeft, zal dat toch jammer vinden. Je wilt toch ook God liefhebben met je verstand? En dus: Is er w el eens over het geloof zelf nagedacht?

 

  Het antwoord is natuurlijk ja. Eigenlijk altijd al. Over alle items van het geloof is  eerder uitvoerig nagedacht. Laat dit boekje je dus houvast en oriëntatie geven, als u of jij over geloof in God zit na te denken. Laat dit boekje voor je iets hebben als een leuning langs een steile trap of een met een bocht. Altijd heel handig zo’n leuning, vooral als je in het donker onverwachts naar beneden moet. Dan voel je automatisch even naar de leuning en die geeft je een veilig gevoel. Aan zoiets moet je denken bij een Catechismus. 

   De Heidelbergse Catechismus werd indertijd in Heidelberg geschreven. Het boekje bleek een gouden greep. Er is inmiddels een miljoenenoplage van verschenen en het  functioneert nog steeds. Het hoort zelfs bij de officiële geloofspapieren van de Protestantse Kerk in Nederland. Dit jaar 2013 is het 450 jaar geleden dat het uitkwam.

 

De vraag naar ultieme troost

Het gaat ook om een heel bijzonder boekje. Alleen al door de inzet. Het begint namelijk helemaal niet rationeel filosofisch. Waarom zijn we hier op aarde? Of verdedigend, apologetisch. Niets van dat alles. Het zet juist heel praktisch in door meteen heel uitdagend te vragen: `Wat is je enige troost in leven en in sterven?’  Ofwel: wat heb jij nu eigenlijk aan je geloof, wat levert het op? Wat is jouw ultieme zekerheid? Wat is jou diepste houvast? Zo ongeveer. Kun je dat met een paar woorden zeggen?

 

  Dat is meteen heel direct, ook heel confronterend en uitdagend. Je zou die vraag ook helemaal aan het eind van het boekje kunnen stellen. Als samenvatting en leerresultaat. Dit boekje begint ermee en valt dus meteen met de deur in huis.

  Confronterend is deze inzet zeker ook door meteen het woord troost te laten vallen. Wat is je enige troost?

  Niet: wat is je ultieme zekerheid of houvast?

  Dat zit er natuurlijk wel achter, maar door de vraag naar ultieme troost zit je ineens heel dicht bij een echt mens.  Troost is een geladen woord vol gevoel en emotie. Een woord dat  heel veel oproept. Aan verdriet, gemis, huilmomenten. Zo’n woord zet je meteen midden de werkelijkheid van het leven. Bij de vraag naar ultieme zekerheid.  Zie je vooral een twijfelaar nadenken en zoeken, vaak zonder echt existentieel door elkaar geschud te worden, - bij de vraag naar blijvende en dragende troost,  sta je midden in de scheuren en rafels van het menselijk bestaan. Je voelt de rafels, de spanning, de onrust, de angst noem maar op.  De vraag is: Heb je op zo’n moment echt iets aan je geloof, iets als houvast, iets als echte troost?

 

Ik ben van een Ander

Met die vraag zet ons geloofsboekje dus in. Wat is jouw  troost op zulke wijkende, machteloze, onmogelijke, ongenadig harde momenten van het leven? Op zich ergens een hele harde binnenkomer. Het heeft iets van: Geloven? Fijn, God helpt, God zorgt voor ons, God is gewoon fijn. Ja, maar is dat echt zo? En als je leven door elkaar geschud wordt, heb je dan ook iets aan God, en wat dan wel? Is er dan zoiets als echte, dragende je hart sterkend, weer in balans brengende troost?

En hoe dan? 

   Op die vraag volgt een antwoord dat mij, en niet alleen mij, altijd heel erg heeft geraakt. Want onwillekeurig verwacht je op zo’n directe ergens door merg en been gaande vraag bij voorbaat een beetje vaag domineesachtig antwoord. Iets in de geest van: `Dat weet alleen God, daar moet u maar veel om  bidden’, en: `Dat is het  mysterie van het geloof’,  en meer van dat soort kerkelijke dooddoeners.

 

  Echter zo niet ons geloofsboekje. Dat zegt meteen ons voor:  Onze ultieme troost  - nog directer: mijn ultieme troost, als ik het moet zeggen, directer en persoonlijker kan het wel niet - is dat ik gelukkig niet meer van mijzelf ben, maar het eigendom van Jezus Christus!   Ofwel: wij hoeven op zulke scheur- en huilmomenten in het leven, op momenten van pijnlijke onmacht of ook schuldigheid, te kort schieten, wanhoop, boosheid, woede misschien ook - maar ook op topmomenten van het leven, waarop het leven zo mooi en zo heerlijk is dat je het ergens diep wantrouwt -  niet zelf het geloof vast te houden. Wij hoeven niet een positief geloofsgevoel op te brengen. Wij hoeven geen hallelujagevoel tegen beter weten in  te produceren. Wij hoeven God niet te verdedigen of proberen te rechtvaardigen en zeggen dat Hij wel zal weten dat dit of dat ergens goed voor is.

Wij hoeven helemaal niets. Want onze ultieme troost is , dat we ervan overtuigd mogen zijn, dat we niet meer van ons zelf zijn, maar van Jezus Christus zijn.

 

   Dus:  of God het allemaal goed of niet goed doet, dat is allemaal ons bier niet, dat  moet Jezus maar uitzoeken en zien mee klaar te komen. Onze ultieme troost is in elk geval dat wij dat niet meer hoeven te doen, want Christus is de Heer en wij zijn zijn eigendom. En dus: wij liften helemaal met Christus mee. Als het er op aan komt door het diepste donker heen, het donker van Gethsemane en het duister van  Golgotha,  want wij zijn van Hem. Ik doe `s avonds gewoon het licht uit,  ik ga niet mijn best doen dit of dat op te lossen voor God of aannemelijk te maken over God. Want ik ben gelukkig niet meer van mezelf. Ik ben van een Ander…gelukkig.

 

Eigen en eigendom

Deze inzet vind ik ergens heel indrukwekkend. Geen vroom geneuzel, geen vaag gepraat over het mysterie des geloofs. Geen antwoorden die je bij voorbaat niet vertrouwt of voor jou of mij veel te hoog gegrepen zijn. Gaat het over de ultieme vraag, dan zegt dit leerboekje: calm down, wij zijn niet van ons zelf, wij zijn van Christus en daarom per definitie getrooste mensen.

  Wij zijn van Christus. De Catechismus zegt zelfs: wij zijn Zijn eigendom.

  Zoiets zegt Jezus zegt ook zelf in de gelijkenis van de Goede Herder. Het valt op, althans in het evangelie van Johannes, dat Jezus dan een paar keer nadrukkelijk spreekt over zijn `eigen schapen’.  Oftewel: Je hebt schapen en schapen, je hebt mensen en mensen, en schapen zijn net mensen. Onder hen heb je schapen van kudde X en van kudde Y, en je hebt ook schapen, die Jezus betitelt als zijn eigen schapen.

  Als schaap ben je altijd van iemand het eigendom. Van een herder, hopelijk een goede. In het woord eigendom zit iets van: je behoort helemaal toe aan de herder, die kan  met je doen wat hij wil feitelijk. Schapen zijn voor hem ergens ook business. Maar vooral heeft een herder altijd veel zorg om zijn schapen, voor elk schaap dat hij tegen komt, maar bijzonder voor zijn eigen schapen. In het woord eigendom zit ook het woord eigen: daarin hoor je een hart kloppen. Schapen zijn geen producten, het mag je business zijn, maar het zijn wel schepselen. God heeft er zorg om, en Jezus ook.

  Zo spreekt Jezus over zijn eigen schapen. Zijn eigen mensen, zijn eigen kinderen, zijn eigen volk.

 

Een eigen volk van God?

Misschien stoort u of jou het een beetje , dat Jezus ook een eigen kudde heeft. Maar dat moet je goed begrijpen. Dat is 1. altijd zo geweest. In het hele OT kun je lezen dat alle volken volken van God zijn, maar dat God één volk bijzonder uitkoos in zijn genadig bemoeien met onze mensheid als en soort bruggenhoofd naar de andere toe. En dat is het volk Israël, het joodse volk. Regelmatig lees je, dat dat Gods eigen, of ook: Gods eigendoms volk.

   Daarover punt 2 moet je je  niet opwinden of ergeren, God is altijd vrij te doen wat Hij wil. Het is ook niet allemaal zo fantastisch als je Gods eigen volk bent. Voor je eigen volk, je eigen kinderen, ben je meestal als vader of moeder strenger dan voor de kinderen van je buren of van je zuster. Menig jood heeft al eens geroepen richting de hemel: waarom moest U zo nodig ons uitverkiezen?

Begrijpelijk soms. Maar op zulke vragen gaat God niet in. Alle mensen zijn van Hem, dragen zijn beeld. Maar sommige zijn Hem bijzonder eigen en kostbaar. Dat heet genade en verkiezing.

 

  Zo zegt Jezus het ook. De Goede Herder – en daarmee bedoelt Hij zich   

zelf -  heeft in de eerste plaats zorg om zijn eigen schapen. Zij zijn zijn eigendom, voor hen heeft de herder betaald. Om die schapen heeft Hij daarom bijzondere zorg, hen haalt Hij elke morgen op, gaat heel de dag hen voor. Op die schapen let Hij heel de dag en brengt ze uiteindelijk thuis in de stal van God. In de hemel vol glorie.  Allemaal hele duidelijke beelden.Voel je?

  Bij dat beeld sluit het antwoord aan over die ultieme zekerheid van ons bestaan: de ultieme troost die je moed geeft voor elke dag, zelfs voor je laatste dag.

 

Onmondig ?

Het antwoord luidt: besef dat je niet meer van jezelf bent en laat dat van binnen je eens heel, heel vrolijk maken. Dat je het eigendom bent van Christus, zoals een schaap van een kudde.

   Hier houd ik bewust even in. Want het eigendom zijn van een ander, - kan dat ooit iets positiefs betekenen? Dat zijn toch slaven? En over het hoofdstuk slavernij is echt niets goeds te melden. Klopt! En leven wij juist niet in een tijd dat iedereen zich zelf kan en mag zijn? Dat niemand van iemand afhankelijk is, iedereen kan en mag voor zich zelf denken, keuzes maken, iedereen is selfsupporting en vul maar in. Die vrijheid van elk persoonlijk individu, van niemand afhankelijk zijn, ook niet van een kerk, partij, groep, - dat is toch een verworvenheid die niemand van ons, ook de ouderen niet, zeker zij niet, nog kwijt zou willen?  Van je zelf zijn, bij jezelf horen, je zelf zijn.. En de eindeloos herhaalde zin: jij mag er zijn, is op het moment misschien wel het meest heilige dogma van onze samenleving.

   Hoe kun je dan als antwoord op de vraag naar ultieme zekerheid en troost zeggen, dat je gelukkig niet van jezelf meer bent, maar van een ander? Van Christus?  Val je dan niet van de ene afhankelijkheid in de ander? Maakt dat je niet heel onmondig? Wat kan daar troostvol aan zijn?

 

Herder met een hart

Ik zou willen zeggen: ontzettend veel. Hoor je bij Jezus Christus, dat is niet zomaar een kudde onder de vele kudden die je in deze wereld kunt aantreffen. Al of niet met twee of meer paspoorten. Nee, die kudde van Herder Jezus is heel apart. Hij heeft een ontzettende zorg om zijn schapen, Hij gaat ervoor door dik en dun. Jezus gaat voor zijn volgelingen, Hij heeft een hart voor ze, voor de kinderen van God, voor alle mensen die bij Hem schuilen.

   Hij is een Herder met een hart, zijn business is juist ons heil. Onze bewaring als de weg naar beneden gaat. Verzoening, vergeving, genezing, volkomen heil. Zijn punt is niet: hoe hou Ik elk schaap op z’n plek, hoe beperk Ik de leefruimte, hoe houd Ik ze klein en afhankelijk, ze zijn tenslotte Mijn eigendommen. Nee, zijn passie is juist ons een nieuw hart geven en een nieuwe gezindheid. Zin om te leven, verzekerd en hoopvol. Niet bang, niet angstig, maar vrij en vrolijk. En ongelooflijk getroost.

 

Van wie ben jij?

De Heidelbergse Catechismus drukt zich op die manier inderdaad heel vrijmoedig uit. Wat is mijn ultieme troost en zekerheid? Dat ik gelukkig niet meer van mezelf ben maar het eigendom van Jezus Christus. Er is intussen ook heel veel voor te zeggen. Want ga maar na: als je van jezelf bent, dan moet je ook voor jezelf opkomen. Vraag me niet hoeveel stress dat kan opleveren. Als je van jezelf bent, dan ben je toch altijd van een stuk verleden, ouders, familie, een dorp, daar ben je van, dat bepaalt je.  Van jezelf zijn,  dat is niet allemaal aantrekkelijkheid, vaak voor ons ook een veel te hoge greep.

    Wie kan dat helemaal aan? Heb je geen anderen nodig van wie je je min of meer afhankelijk moet /mag  maken? Gaat het niet goed met je, dan ben je even later helemaal van je kwalen, je beschadiging, je hulpverleners, het ziekenhuis, het Riag en die allemaal bepalen ergens je leven. Laten we het maar zachtjes zeggen: dáár wordt een mens zelden vrolijk van.

    Maar, is dat nu echt anders als je een gelovig mens bent, een bewust kind van God, een volgeling van Jezus Christus? Is dat anders, wat maakt dat uit?

    Duidelijk, dat maakt ontzettend veel uit.

    Ik ben niet meer van mezelf, gelukkig niet. Ik ben doordat ik mijn hoop op Christus heb leren zetten, ergens mezelf met al z’n donkere, zwakke, zondige, slechte kanten, eindelijk helemaal kwijt geraakt. En die mens die ik kwijt ben, die wil ik ook nooit meer wezen. Ik ben niet meer van mezelf, ik ben het eigendom van Jezus Christus.

 

  Met het beeld van de kudde: ik ben een schaap van de kudde van Jezus. Als ik eerlijk ben, dan heb ik best een beetje moeite met die schaap-vergelijking, alsof mensen schapen zijn en van eigenaar kunnen wisselen. Een schaap is mogelijk niet het dier van je voorkeur om mee vergeleken te worden, een beetje schaapachtig. Als ik iets niet ben, dan dat, zeg je misschien.

Echter, het is ook wel heel mooi als er iemand voor je uitgaat. Iemand als een Herder. Een die overvieuw houdt, mij ruimte geeft en heel veel eigen verantwoordelijkheid, maar tegelijk toch blijft opletten. Ook of ik al die verantwoordelijkheden wel aan kan. Ik heb er veelal zelf voor gekozen,  vrij, maar kan ik het aan? Mijn werk, mijn man, mijn gezin, mijn oude moeder. Gelukkig,  ik durf het haast niet te zeggen, maar gelukkig zijn wij niet van ons zelf, toch? Wij zijn van Christus, toch?

 

   Ja. Wij zijn van Christus.  Alle andere `vans’ moet je consistent een beetje blijven wantrouwen. Zoals iemand vraagt : `Ben jij de vrouw van…?’ zonder  te luisteren hoe je zelf heet. Of: `Ben jij ben de zoon van…was jouw vader soms…?’ zonder naar jou eigen naam te vragen.  En:  wij zijn van de PKN, of van de Oude Kerk. En zeg vooral nooit ` wij zijn van ds de Jong!’ Bij alle `vans’  blijf je kritisch.

Op één na: wij zijn van Jezus Christus. Dat is nu echt onze ultieme geloofszekerheid. Ja, wij zijn van ……

 

Ik dank U, Heer, dat ik U ken

Dat ik voor alle tijden

Een lid ben van uw lichaam en

Niets mij van U kan scheiden

Want wat Gij leeft, dat leef ik nu

En sterf ik straks, dan sterf ik U

Uw leven is mijn leven

 

Geloof

Dat is onze ultieme geloofszekerheid. Geen zekerheid zoals je wiskundige, rationele, logische zekerheden hebt. Zelfs niet een zekerheid omdat het allemaal zo in de bijbel staat en zoveel eeuwen al zoveel mensen daarop vertrouwd hebben. Nee, als het om de ultieme zekerheid gaat van mijn, uw, ons bestaan, dan gaat het echt om de zekerheid van het geloof. Dat is een hele directe persoonlijke betrokkenheid op God. Daarom met opzet ook troost genoemd. Wat is je enige troost, je ultieme troostvolle houvast?

  In dat woord hoor je iets diep menselijks. Geloof heeft met alle diepten van je mens zijn te maken. Geloof in de God van Jezus Christus heeft altijd iets van diepe troost over het leven bij zich. Over het leven met al die rafels. Maar ook troost over het mooie leven waarvan je soms bijna niet durft te genieten, omdat je schuldig voelt naar zoveel andere mensen.

 

   Ons leerboekje formuleert op dit punt nog even heel intens, heel hartverwarmend.  `Mijn ultieme troost is dat ik niet meer van mezelf ben, maar van het eigendom ben van……’  en dan formuleert de Catechismus: het  eigendom van  mijn getrouwe Heiland Jezus Christus.  Ineens heel mooi. Niet: van Jezus de Heer der wereld. Maar: van mijn getrouwe Heiland. Oudere vertalingen: mijn getrouwe Zaligmaker, een heel geladen titel van Jezus vol emotie, verwondering, vreugde. Mijn getrouwe Zaligmaker! Heiland is ook prachtig. `Die met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen voldaan heeft….’

    Weer hoor je dat beeld van eigendomswisseling. Jezus heeft betaald voor zijn eigen schapen. Niet met goud of zilver, zegt Petrus ( 1 Petrus 1:18), maar met zijn kostbaar bloed. En Paulus (1 Kor. 6:20) zegt: Je bent gekocht en betaald…!

    Een zin die je in elk ander verband zo zou tegen staan. Maar hier: gekocht en betaald door Jezus met het offer van zijn leven.  Aan wie dan ? Aan de duivel? O nee, die heeft nergens recht op, die maakt wel veel lawaai, maar wij zijn gekocht betaald, en die macht van de duivel, die doet ons ook niets meer. Wij hebben een goeie Herder en een keer wordt het één kudde.

 

Dit is mijn troost

Dit is dus de ultieme troost van het geloof in Christus, het ultieme houvast.

Niet dat je daar alle dagen zo de zekerheid van voelt.  Daarover heb je nu een Catechismus. Om, als je het kwijt bent, het antwoord aan jezelf of je vriend hardop voor te lezen en geloof te beleven als gestalte van getroost worden en zijn. Naar de bekende zin van Luther: geloof is niet anders dan getrooste twijfel.

  Maar dat is genoeg. Dit is mijn troost…

We zijn van Hem. Hij gaf zijn leven voor de schapen. Niemand kan ze roven uit de hand van mijn Vader, zegt Hij.  Hij kent zijn eigen schapen, Hij kent ze alle bij naam. Zo eigen zijn ze Hem. Hij weet wie we zijn.

 

In deze dienst werd gezongen Ps 116: 1 ob; Ps. 116: 2, 3,4 en 11 ob; Ps 23; Gez 455; Gez 477 en Ps 73:9 en 10. Er werd gelezen Johannes 10:1-16 en 27-30 en Heid Cat vr en ant w 1.

 

 

Activiteiten

Geen agendapunten